maandag 15 juni 2009

Il Signor Diomiro Zudini



Nieuwsgierig beklom ik op een maandagochtend in maart de trap van het muffe Italianistiekgebouw, op weg naar de derde verdieping. Het was elf uur en mijn eerste college dialettologia zou beginnen. Ik had zelf gekozen voor dit taalkundevak over de Italiaanse dialecten en was nieuwsgierig naar welke andere taalliefhebbers zo prettig gestoord waren geweest om dit vak in hun studieprogramma te zetten. Eenmaal aangekomen op de gang bleken dat er niet veel te zijn. In een hoekje stonden drie blonde studenten in het Oostenrijks-Duits met elkaar te praten en even later kwam een klein chagrijnig meisje zuchtend de lift uit. Ik begroette ze alle vier. Inmiddels was het tien over elf en vroeg ik maar of zij toevallig ook wisten achter welke van de deuren het voor ons bestemde lokaal schuilging. Een Oostenrijkse jongen nam de moeite om de dichtstbijzijnde deur te proberen. We keken naar binnen, het stoffige lokaal in. Aan alle kanten stonden met tralies afgesloten boekenkasten, met daarin enorme gebonden boekwerken die al lange tijd niet meer leken aangeraakt. Het lokaal ademde dezelfde sfeer als de rest van het gebouw: ooit, in een ver verleden, werd hier lesgegeven en gestudeerd. Nu leek het geheel meer een slecht bezocht museum met gratis entree, veel vergeelde boeken, een eenzame suppoost en ergens op een van de hoogste verdiepingen waarschijnlijk ook nog wel een mummiekamer of een ruimte vol opgezette reuzenreptielen.
Op deze maandagochtend dacht ik even dat we zo'n opgezet reptiel hadden aangetroffen, ware het niet dat het wezen dat in dit lokaal zat na een seconde of twintig bewoog en zelfs praatte: “Zo, dus jullie komen het college dialectologie volgen...”. Aan zijn stem was duidelijk te horen dat hij ons niet verwacht had. Misschien had hij al jaren geen studenten meer onder ogen gezien, bedacht ik me. Misschien was er al jaren geen student meer het gebouw binnengelopen, maar had het faculteitshoofd al die tijd een oogje toegeknepen en deze docent ook na het bereiken van zijn pensioenleeftijd nog in functie gehouden en netjes betaald, op voorwaarde dat hij maar braaf achter zijn bureau ging zitten op de tijden dat er officieel les had moeten zijn. Anders zat hij ook maar alleen thuis tussen de varens te vegeteren...
Na nog een blik door het lokaal en richting meneer Zudini (zo heette hij) kreeg ik de indruk dat ik er niet ver naast kon zitten. Toen we allemaal waren gaan zitten begon hij direct de les. Of wat daar voor doorging. Het didactische niveau was op zijn zachtst gezegd laag te noemen. Uit een mapje kwamen hele vellen met de hand beschreven papier tevoorschijn, die de enorme Zudini begon voor te lezen. Zijn stem bulderde door het zaaltje en de trillingen waren zelfs nog voelbaar tijdens een van zijn vele adempauzes, die ongeveer elke tweeëneenhalve zin voorkwamen. Het schoolbord stond twee uur lang zielig en alleen en onbeschreven achter hem. Het regende inmiddels verbaasde blikken van verstandhouding tussen de vijf aanwezige studenten.
Op een bepaald moment ging het over de indeling van de verschillende dialecten in het Romaanse taalgebied, waarop ik mij toelegde op de taak deze professor bij een bepaalde klasse diersoorten in te delen. Terwijl ik naar zijn trillende hangende onderkin keek, schoten verschillende opties door mijn hoofd: het kon een nijlpaard zijn vanwege zijn postuur, een krokodil vanwege zijn gegroefde huid hier en daar, of een schildpad vanwege zijn traagheid (en vanwege zijn leeftijd).
Bij alle volgende colleges moest ik steeds weer aan deze dieren denken als ik naar de man keek. Vaak troffen we hem voor aanvang aan met de portier van beneden, ook al zo'n verstrooid figuur dat ik vaak een cognacje zag tikken in de bar naast het gebouw terwijl ik net aan mijn ontbijtje zat. Meneer Zudini kon er ook wat van: toen hij op een dag, voor het begin van de les op de gang naar mij toekwam, een heel verhaal over de herkomst van de landennaam 'Wales' hield, niet op reactie wachtte en gelijk weer terugwaggelde naar zijn kantoortje, zwoer ik erbij dat hij zijn ochtendmaal had opgeleukt met een paar kopjes amaretto-koffie.


Toen in mei zijn collegereeks eenmaal was afgelopen, kon ik me storten op de honderden pagina's linguïstisch materiaal die op het programma stonden voor het tentamen. Dagenlang had ik me voorbereid en afgelopen woensdag mocht ik gaan laten zien wat ik wist. Om negen uur 's ochtends stonden we met een handjevol mensen te wachten. Twintig minuten na de afgesproken tijd hoorden we ergens beneden een zware stem en voetstappen. Iedereen keek op. Het deed me denken aan het begin van zo'n scène uit Jurassic Park, waarin verre voetstappen van een indrukwekkende velociraptor de kasten, stoelen en bekers koffie doen trillen, waarop alle vrouwen en kinderen gillend onder de tafels duiken en de mannen naïef blijven staan en denken iets te kunnen beginnen tegen zo'n dino.
Even later kwam meneer Zudini de lift uit, voorgegaan door de bevriende portier, die haast zijn bodyguard leek. Ze hadden allebei hun mooiste pak aangetrokken. Wat zou de reden zijn geweest van hun vertraging van twintig minuten? Ik liet mijn neus werken, maar rook geen cognac.
Ik mocht als tweede naar binnen en was klaar om allerlei moeilijke vragen te beantwoorden over de verspreiding van het Franco-Provençaals , de archaïsche kenmerken van het Sardisch of de positie van het bezittelijk voornaamwoord in de verschillende Italo-Romaanse dialecten. Maar niets van dat alles. In totaal heb ik misschien drie zinnen kunnen uitbrengen, voor de rest praatte het reuzenreptiel. Ik legde me dus maar weer toe op het bestuderen van zijn grote bril met zwart montuur en van het reliëf in zijn gezicht, totdat hij tegen het eind zei: “Ik wil U nu nog één laatste vraag stellen over de uitgangen van de eerste persoon meervoud in de Noord-Italiaanse dialecten.” Ik wilde antwoord geven, eindelijk mijn kennis tentoonspreiden. Maar mijn vraag werd al beantwoord door de professor zelf. Via een verhandeling over het Roemeens kwam hij opeens uit bij Edgar Davids. We spraken nog wat over voetbal en na mij het hoogst mogelijke cijfer (30 met lof) te hebben gegeven, schudde hij me de hand.
Verbaasd liep ik naar buiten. Mijn periode met mijnheer Zudini was ten einde. Ik zal hem missen.

woensdag 25 maart 2009

Triestina-Pisa







Een verblijf in een Italiaanse stad is naar niet compleet zonder een bezoek aan een wedstrijd van de plaatselijke voetbaltrots. Ondanks de grote problemen die het Italiaanse voetbal in de afgelopen jaren teisteren (omkoopschandalen, faillissementen en doden door supportersrellen), is il calcio nog steeds één van de belangrijkste gespreksonderwerpen. In Trieste is dat niet anders. Ondanks het feit dat de Unione Sportiva Triestina eigenlijk nooit wat gepresteerd heeft, is er toch overal in de stad voetbalgerelateerde graffiti te zien en hangen nogal wat bars en osterie vol met rood-witte shirtjes. Momenteel speelt Triestina in de Serie B, het op-één-na hoogste niveau. Het leek me geweldig eens een wedstrijd van deze divisie te bezoeken en tussen fans te staan die nooit verwend zijn door goede resultaten en in plaats van Del Piero of Gattuso het moeten doen met nietszeggende namen als Della Rocca en Minelli.

Daarom stapte ik op een frisse maar zonnige middag met 5 klasgenoten in de bus naar het Stadio Nereo Rocco. De goede uitstaphalte vinden was niet moeilijk. We hoefden alleen maar de kleuren rood en wit achterna en bovendien is het Nereo Rocco duidelijk zichtbaar: het lijkt net een enorm ruimteschip dat in een lelijke woonwijk is neergestort. Met zijn 30.000 (!) plaatsen (anderhalf keer onze Euroborg) is het dan ook veel te groot voor een club als Triestina, waar elke weekend zo'n 7.000 toeschouwers op afkomen.
Na door de dubbele kaart- én paspoortcontrole en fouillering te zijn gegaan, konden we nog een half uur de sfeer proeven voordat de wedstrijd begon. Het stadion van Triestina is een typisch Italiaans stadion en lijkt dan ook in niets op een Nederlands stadion: hier geen megaschermen met irritante reclames, geen keiharde hosmuziek uit de speakers tot 5 seconden voor de aftrap, geen aan lager wal geraakte volkszanger die in de rust de sfeer komt verzieken, geen stewards en mede-supporters die gaan zeuren als je niet op je toegewezen stoelnummer plaatsneemt, niemand die je verbiedt op de trappen te blijven staan in plaats van bij de stoelen... Ook ontbreken hier de walgelijke klapstoeltjes die in steeds meer stadions te zien zijn. De 'zitplaatsen' van het Nereo Rocco zijn simpelweg rode stukken plastic zonder rugleuning. De onderste helft van de Curva Furlan (het fanatieke vak achter het doel) vat ze dan ook gewoon als staanplaatsen op.

Bij de spelersopkomst gingen tientallen prachtige rood-witte vlaggen omhoog, die pas na het laatste fluitsignaal weer omlaag gingen. Een prachtig gezicht (zie foto's). Ik moet bekennen dat ik dan ook de helft van de wedstrijd niet naar het veld keek maar naar het publiek. Uit de onderste rijen van het vak kwam keihard gezang, dat onder leiding stond van 2 capotifosi, oftewel de leiders van de fanatieke supportersgroepen. Negentig minuten lang stonden zij op een verhoginkje met hun rug naar het veld toe, het publiek opjuttend. Bij hun vaste plekken waren zelfs ijzeren staven aangebracht zodat ze niet uit balans zouden raken bij het volbrengen van hun belangrijke taak. En dit alles met groot effect: dankzij de capo's produceerde het publiek geen carnavalachtige la-la-la-la-liedjes maar luide, regelslange liederen. Alhoewel dankzij allerlei steeds strengere maatregelen hulpmiddelen als megafoons, trommels, vuurwerk en fakkels sinds een paar jaar helaas verboden zijn, was er toch een spectaculaire sfeer.

Oja, op het veld gebeurde er ook nog wat. Door een blunder van de Pisaanse keeper stond het al na 3 minuten 1-0 en ondanks het vele geploeter van beide teams bleef dit zo. Triestina doet nog volop mee om promotie naar de Serie A dus er komen nog wat spannende wedstrijden aan, waar ik zeker bij zal zijn.

zaterdag 28 februari 2009

Het slempmaal bij Da Gianni








Op het spectaculaire feest waarover ik hieronder vertelde, heb ik allerlei nieuwe mensen kunnen leren kennen. Eén daarvan, Economiestudent Andrea, nodigde me een paar dagen later uit om met een groep mensen mee uit eten te gaan bij Trattoria 'Da Gianni' in Gorizia.
Ik was zeer benieuwd wat dit 'Da Gianni' precies zou inhouden en in de dagen voorafgaand aan het etentje werd ik overladen met verhalen over de enorme hoeveelheden heerlijk voedsel die tegen een lage prijs in deze Trattoria geserveerd worden.

En inderdaad, het gebruiken van verkleinwoord 'etentje' bleek totaal niet op zijn plaats. Om kwart voor negen kwamen we met een groep van achttien mensen aan in deze eetgelegenheid, die er van binnen als een herberg uitzag. We mochten eerst aan de bar genieten van een aperitivo, wachtend tot er voldoende plek zou zijn. Er werd prosecco uitgedeeld en toen ik een beetje uitleg vroeg over deze witte mousserende wijn, bleek ik onbewust de veroorzaker te zijn van een verhitte discussie over de herkomst ervan. De aanwezigen die uit de regio Veneto afkomstig waren vonden dat het 'hun' wijn was, terwijl de gasten die uit Friuli kwamen dit niet pikten en hier hevig tegenin gingen..
Na dit stukje Italiaanse cultuur konden we gaan zitten en kon het grote eetfestijn beginnen. Onder het genot van een voorgerecht sloeg men de menukaart open. Vol enthousiasme zocht men gerechten uit. Velen gingen voor de 'Lubianska', een enorm gevuld biefstuk dat volgens de legendes nooit iemand in zijn eentje opkreeg. Voor de zekerheid bestelden mensen dus maar met zijn 3-en één Lubianska. Maar eerst kwamen de pasta's op tafel. Samen met Luca at ik een heerlijke pasta met de vreemde naam 'strozzapreti' ('strozzare' betekent wurgen en 'preti' zijn priesters) en gnocchi met gerookte ricotta.
Na dit verrukkelijke voedsel te hebben verorberd voelde ik mij al voller dan ik me na een normaal avondeten normaal gesproken voel. Het was echter nog lang niet afgelopen: de hoofdgerechten kwamen op tafel. En daar waren ze dan, de zo geruchtmakende Lubianska's. Het bord eronder was bijna niet meer zichtbaar. Een Afrikaans dorp zou van zo'n Lubianska zeker drie weken eten, maar hier werd elk van deze stoeptegels onder handen genomen door welgeteld drie gulzige Italianen. Naarmate de avond vorderde begonnen sommigen van hen steeds moeilijker te kijken, alsof ze in een hevige strijd verwikkeld waren. Samen met Luca, ook een vegetariër, at ik blokken gefrituurde kaas en ook ik kreeg het al snel moeilijk met deze bakstenen. Bij dit alles werd ook nog eens groente geserveerd. Het was goed te merken dat we ons dichtbij Slovenië en Oostenrijk bevonden: er stond zuurkool op tafel.

Zo langzamerhand kreeg ik het nare gevoel dat mijn maag wel eens 'basta' zou kunnen gaan zeggen op een bepaald moment in de zeer nabije toekomst... Gelukkig werden er frisse sorbets naar onze tafel gebracht. Deze ijskoude drankjes met limoensmaak waren met zorg in het eetschema ingebouwd: het drinken ervan zou er op een bepaalde manier voor moeten zorgen dat er extra ruimte kwam in de maag. Een welkom iets, zo na de Lubianska's en gefrituurde kaas...
Maar natuurlijk werden de sorbets opgevolgd door tiramisù, zodat ik onvermijdelijk overovervol kwam te zitten. Na een kopje koffie liep men, elk vijf kilo zwaarder, weer naar de bar om het slempmaal af te sluiten met een digestivo. Op het moment dat we onze limoncello achteroversloegen was het al half een, een kleine vier uur later dan het moment van aankomst.. Ik wist toen zeker dat ik een week lang niet meer zou willen eten.. De rekening was ook nog eens om te lachen zo laag (ook niet onbelangrijk voor een Nederlander) en werd gewoon zonder verder gemiezer door achttienen gedeeld
Na afloop ging ik nog met een groepje naar een feest ergens in een grot. Het zat er vol met alternatieve bebaarde Italianen met dreadlocks die voor zich uit staarden en bongo speelden rondom een vuur. Vrij snel gingen we er maar weer vandoor op weg naar een pub in het dorpje Opicina, waar het rookverbod gewoon bleek te worden overtreden.

Vooral voor mijn maag was het een onvergetelijke avond...

Polizia molto arabbiata

Een kleine twee weken na mijn aankomst in Trieste was er een groot feest in het huis van mijn nieuwe CouchSurfing-vriend Luca. Luca woont samen met vijf anderen in een best groot appartement en dus waren alle genodigden hard aangemoedigd om vooral veel vrienden mee te nemen.
Dit liet iedereen zich geen twee keer zeggen: toen ik rond een uur of elf de trap naar de tweede verdieping opliep, stond het halletje bij de deur al vol met mensen. Ook in het appartement zelf was het enorm vol. De hele jeugd van Trieste leek te zijn uitgerukt voor dit huisfeestje. Een huisgenote van Luca liet me kennismaken met vrienden van haar en zo rolde ik op den duur van de ene persoon naar de andere, uiteraard ieders naam vergetend vlak nadat ik ze de hand had geschud..
Ondertussen bleven er maar gasten binnenstromen en bedroeg de gemiddelde tijd om van de keuken naar de huiskamer te lopen alweer tien minuten vanwege de massa's mensen. In de huiskamer verzorgde een nerdige jongen de muziekkeuze en werd er zo druk gedanst dat de parketvloer op en neer bewoog. Er waren dan ook verscheidene mensen die mij verklaarden bang te zijn dat we door de vloer heen zouden zakken. Er waren namelijk verhalen bekend van een eerder huisfeest ergens anders, waar ze 'in het ondergelegen appartement waren gevallen'... Dit is gelukkig niet gebeurd. Wel viel een paar keer de stroom uit en sneuvelden er glazen.

Hoogtepunt van de avond was de voetbaltransfer die ik maakte. De woensdag ervoor had ik een oefenpartijtje meegespeeld in Luca's voetbalteam, wat erg goed was verlopen. Op het feest nu kwamen opeens een lange magere jongen en een kleine kale man op me af, die me op de schouder klopten. Dit dynamische duo beweerde met de aanvoerder van Luca's team gepraat te hebben en spoorde me aan hun team te komen versterken als doelverdediger. Ze bleken bij het team waarmee ik woensdag had gespeeld namelijk al genoeg keepers te hebben. Toen ik antwoordde toch graag nog even bij Luca te willen navragen hoe het nou precies zat, kreeg ik van het kale mannetje te horen dat ik me geen zorgen moest maken: ''Toen Luis Figo van Real Madrid naar Inter verhuisde een paar jaar geleden, was het ook lange tijd niet duidelijk wat er aan de hand was, maar kwam het toch goed." Even later bleek het inderdaad te kloppen dat Luca's team voldoende keepers had en zo werd de deal beklonken. Na deze megatransfer zal ik snel mijn debuut maken in de 7 tegen 7 competitie..

In de woonkamer werd steeds heftiger gefeest, totdat opeens de nerdige jongen de muziek uitzette en op een stoel ging staan. 'Polizia molto arabbiata!', riep hij. 'Politie heel erg boos!'. Er bleken een paar carabinieri in het trappenhuis te zijn, waarschijnlijk gebeld na klachten van omwonenden. Blijkbaar was het goed mis, want de organisatoren van het feest begonnen door het hele huis heel hard 'ssst' te roepen. Uiteindelijk kwam men er goed vanaf. Binnen twintig minuten moest iedereen weg zijn, anders kwamen er problemen..

(Helaas kan ik geen foto's plaatsen van al deze chaos, omdat mijn SD-kaart stuk is...)

donderdag 26 februari 2009

De eerste glimp van een sociaal leven




Na een week in Trieste te hebben rondgewandeld en allerlei dingen te hebben geregeld, was het me, op mijn huisgenoot na, nog niet echt gelukt om met mensen in contact te komen. De colleges zouden pas en week later beginnen en dus zag ik in deze situatie niet echt verandering komen.


Tot ik plotseling de ingeving kreeg om mijn toevlucht te nemen tot CouchSurfing, het internationale netwerk van reizigers die elkaar een slaapplek en/of een inkijkje in hun stad aanbieden. Het leek mij een goed idee om langs deze weg iemand uit Trieste te benaderen voor een kopje koffie of iets dergelijks. Ik had pas net een profiel bij CouchSurfing en eerst voelde ik me wel een beetje ongemakkelijk: ik bekeek de profielen van jonge mensen uit Trieste, op zoek naar degene met wie ik dacht het het best te kunnen vinden. Zo was het net alsof ik op een datingsite aan het werk was, met als enige verschil dat ik op zoek was naar een toekomstige vriendschap in plaats van een toekomstige relatie.


Ik kwam uiteindelijk uit bij Luca, een geofisicastudent uit Veneto. Hij nodigde me een dag later al uit om bij hem thuis 'pizza fatta in casa' te gaan eten. Hij en zijn huisgenoten waren erg aardig en de pizza's smaakten prima, vooral die met Mascarpone en Rucola. Het werd een erg gezellige avond en ik werd meteen uitgenodigd om mee te spelen in een voetbalteam en om de vrijdag erop naar een feest toe te komen, in hetzelfde huis. (Waarover later meer...)

zaterdag 14 februari 2009

Kamerjacht




In het hostel waar ik de eerste nachten verbleef beschikte ik weliswaar in mijn eentje over een comfortabele 3-persoonskamer, tóch was het de bedoeling zo snel mogelijk een kamer te vinden. De tweede dag na mijn aankomst had ik dus volledig daarvoor ingeruimd. De hele dag liep ik van faculteit naar faculteit op zoek naar prikborden met daarop briefjes van mensen die een kamer te huur aanboden. Mijn enige twee eisen die ik aan mijn toekomstige kamer stelde waren dat de kamer 1-persoons moest zijn (in Italië delen studenten nogal eens een kamer) en dat er Internet zou zijn (ik heb mijn lieve vriendin Petra namelijk in Nederland achtergelaten en kunnen msnen en skypen is dus een must). Toch verkleinde ik met deze twee eisen mijn kansen al enorm.

De Italiaanse prikbordenbranche kan de concurrentie met Internet nog makkelijk aan als het op advertenties aankomt en zo stuitte ik al in de eerste universiteitskantine op een groot bord met tientallen bruikbare briefjes. Of nouja, ze léken bruikbaar. Allerlei complicaties dienden zich aan: degene die de kamer aanbood wilde bijvoorbeeld alleen vrouwelijke studenten, of alleen personen tussen de 22 en 26 jaar oud, of enkel mensen die van opruimen hielden. Daar kwam nog bij dat veel advertenties er al maanden leken te hangen en de daarop aangeboden kamers dus waarschijnlijk al lang bezet waren. Er van balend geen 23-jarige studente met een grote passie voor opruimen te zijn, liep ik met een verzameling telefoonnumers naar een telefooncel. Na een uur telefoontjes plegen kwam ik tot de conclusie dat het nog best wel eens lastig kon worden. De telefoonnummers bleken niet meer te bestaan, de hoorn werd er halverwege mijn eerste zin opgegooid na de korte botte opmerking 'al verhuurd' of de kamer zou pas over een maand vrijkomen.
Ik besloot nog maar wat prikborden af te gaan en deed 10 uur 's avonds mijn laatste poging voor die dag. Gelukkig kwam het toen goed. Er bleek nog woonruimte vrij te zijn en ik maakte voor de dag erop twee afspraken om kamers te gaan bezichtigen.

Uiteindelijk heb ik één van die twee kamers genomen. Inmiddels woon ik al anderhalve week in een kamertje van zes vierkante meter in een gezellig appartement op de zesde verdieping, samen met Toni, een student uit de buurt van Napels. De huisbaas is erg relaxt, de huurprijs enorm laag en de ligging van het huis is geweldig: in het centrum, achter het Castello San Giusto, op een heuvel en vlakbij een parkje. Vanaf het kasteel heb je uitzicht over de rest van het centrum en de zee. Als het erg helder is, is aan de horizon, achter de zee zelfs weer land te zien (de kust tussen Trieste en Venetië), met daarboven de besneeuwde bergtoppen van de Dolomieten. Een prachtig gezicht.
Ik heb maar weer geluk gehad. (Zie foto's)

Het Erasmusbureau

De eerste dag na mijn aankomst zat gelijk vol regeldingen. Om te beginnen moest ik naar het hoofdgebouw van de universiteit om me aan te melden bij het Erasmusbureau. Daarom nam ik 's ochtends vroeg de buslijn die de man van het hostel me had aangeraden en stapte ik uit op het moment dat alle andere jonge mensen de bus verlieten. Dit bleek de juiste methode want voor mij zag ik, gelegen op een heuvel aan de rand van de stad, een enorme betonnen reus in vermoedelijk fascistische bouwstijl: het hoofdgebouw.

Het Erasmusbureau bevond zich, zoals alle bureau's die je hard nodig hebt, 6 trappen op, twee gangen door en de laatste deur links. Eenmaal bij de juiste deur aanbeland moest ik weer een gang terug. Ik was namelijk vergeten dat veel Italiaanse kantoortjes en bureautjes, hoe onbelangrijk ook, doen alsof ze een postkantoor zijn: je moet een nummertje trekken. Ik drukte dus op een van de knopjes van het nummertjesmachientje, maar keek vreemd op toen ik een papiertje met het nummer 000 in handen kreeg. Toch nam ik maar weer plaats achterin in de gang bij de deur van het Erasmusbureau. Ik wachtte rustig af, terwijl ik voor mij mensen met nummers als 005, 006 en uiteraard 007 naar binnen zag lopen. Na een kwartier kwam een meisje met het nummer 001 naast mij zitten. Ze bleek een Erasmusstudente uit Wenen en we maakten een praatje. Toen we na een tijdje ook 008 het kantoortje binnen zagen lopen gingen we maar eens navraag doen. Zoals alle bureau's die je hard nodig hebt, had ook dit bureau namelijk beperkte openingstijden: elke werkdag van 9 tot 11. De dag erop, woensdag, zou het zelfs compleet gesloten zijn. We moesten er dus voor zorgen voor 11 uur nog aan de beurt te komen. Gelukkig wisten de medewerkers ons gerust te stellen en kwamen ze met uitleg: de 'eigen' studenten van de universiteit, die zelf met een beurs juist uit Trieste weg wilden, mochten eerst. Pas als die allemaal geweest waren, zouden ze ons roepen.

Gelukkig kwam ik nog op tijd aan de beurt en was de eerste aanmelding redelijk makkelijk te regelen. Ik kreeg formulieren om mijn studentenpas en mensapasje op te halen. Ik wachtte even op het Oostenrijkse meisje en samen gingen we de pasjes halen. Na een zoektocht op de winderige heuvel, door een doolhof van lelijke betonnen gebouwen, kwamen we uit bij een aardige bebaarde man die drie kwartier deed over handelingen die hij in tien minuten had kunnen uitvoeren. Maar het was niet erg: terwijl hij ons in traag tempo formulieren liet ondertekenen en met een goedkope webcam een overbelichte pasfoto van ons maakte, belde hij wat vrienden en praatte hij honderduit over Van Basten, sterrenbeelden en de herkomst van de Duitse o met puntjes. Puur vermaak, die bureaucratie.