maandag 15 juni 2009

Il Signor Diomiro Zudini



Nieuwsgierig beklom ik op een maandagochtend in maart de trap van het muffe Italianistiekgebouw, op weg naar de derde verdieping. Het was elf uur en mijn eerste college dialettologia zou beginnen. Ik had zelf gekozen voor dit taalkundevak over de Italiaanse dialecten en was nieuwsgierig naar welke andere taalliefhebbers zo prettig gestoord waren geweest om dit vak in hun studieprogramma te zetten. Eenmaal aangekomen op de gang bleken dat er niet veel te zijn. In een hoekje stonden drie blonde studenten in het Oostenrijks-Duits met elkaar te praten en even later kwam een klein chagrijnig meisje zuchtend de lift uit. Ik begroette ze alle vier. Inmiddels was het tien over elf en vroeg ik maar of zij toevallig ook wisten achter welke van de deuren het voor ons bestemde lokaal schuilging. Een Oostenrijkse jongen nam de moeite om de dichtstbijzijnde deur te proberen. We keken naar binnen, het stoffige lokaal in. Aan alle kanten stonden met tralies afgesloten boekenkasten, met daarin enorme gebonden boekwerken die al lange tijd niet meer leken aangeraakt. Het lokaal ademde dezelfde sfeer als de rest van het gebouw: ooit, in een ver verleden, werd hier lesgegeven en gestudeerd. Nu leek het geheel meer een slecht bezocht museum met gratis entree, veel vergeelde boeken, een eenzame suppoost en ergens op een van de hoogste verdiepingen waarschijnlijk ook nog wel een mummiekamer of een ruimte vol opgezette reuzenreptielen.
Op deze maandagochtend dacht ik even dat we zo'n opgezet reptiel hadden aangetroffen, ware het niet dat het wezen dat in dit lokaal zat na een seconde of twintig bewoog en zelfs praatte: “Zo, dus jullie komen het college dialectologie volgen...”. Aan zijn stem was duidelijk te horen dat hij ons niet verwacht had. Misschien had hij al jaren geen studenten meer onder ogen gezien, bedacht ik me. Misschien was er al jaren geen student meer het gebouw binnengelopen, maar had het faculteitshoofd al die tijd een oogje toegeknepen en deze docent ook na het bereiken van zijn pensioenleeftijd nog in functie gehouden en netjes betaald, op voorwaarde dat hij maar braaf achter zijn bureau ging zitten op de tijden dat er officieel les had moeten zijn. Anders zat hij ook maar alleen thuis tussen de varens te vegeteren...
Na nog een blik door het lokaal en richting meneer Zudini (zo heette hij) kreeg ik de indruk dat ik er niet ver naast kon zitten. Toen we allemaal waren gaan zitten begon hij direct de les. Of wat daar voor doorging. Het didactische niveau was op zijn zachtst gezegd laag te noemen. Uit een mapje kwamen hele vellen met de hand beschreven papier tevoorschijn, die de enorme Zudini begon voor te lezen. Zijn stem bulderde door het zaaltje en de trillingen waren zelfs nog voelbaar tijdens een van zijn vele adempauzes, die ongeveer elke tweeëneenhalve zin voorkwamen. Het schoolbord stond twee uur lang zielig en alleen en onbeschreven achter hem. Het regende inmiddels verbaasde blikken van verstandhouding tussen de vijf aanwezige studenten.
Op een bepaald moment ging het over de indeling van de verschillende dialecten in het Romaanse taalgebied, waarop ik mij toelegde op de taak deze professor bij een bepaalde klasse diersoorten in te delen. Terwijl ik naar zijn trillende hangende onderkin keek, schoten verschillende opties door mijn hoofd: het kon een nijlpaard zijn vanwege zijn postuur, een krokodil vanwege zijn gegroefde huid hier en daar, of een schildpad vanwege zijn traagheid (en vanwege zijn leeftijd).
Bij alle volgende colleges moest ik steeds weer aan deze dieren denken als ik naar de man keek. Vaak troffen we hem voor aanvang aan met de portier van beneden, ook al zo'n verstrooid figuur dat ik vaak een cognacje zag tikken in de bar naast het gebouw terwijl ik net aan mijn ontbijtje zat. Meneer Zudini kon er ook wat van: toen hij op een dag, voor het begin van de les op de gang naar mij toekwam, een heel verhaal over de herkomst van de landennaam 'Wales' hield, niet op reactie wachtte en gelijk weer terugwaggelde naar zijn kantoortje, zwoer ik erbij dat hij zijn ochtendmaal had opgeleukt met een paar kopjes amaretto-koffie.


Toen in mei zijn collegereeks eenmaal was afgelopen, kon ik me storten op de honderden pagina's linguïstisch materiaal die op het programma stonden voor het tentamen. Dagenlang had ik me voorbereid en afgelopen woensdag mocht ik gaan laten zien wat ik wist. Om negen uur 's ochtends stonden we met een handjevol mensen te wachten. Twintig minuten na de afgesproken tijd hoorden we ergens beneden een zware stem en voetstappen. Iedereen keek op. Het deed me denken aan het begin van zo'n scène uit Jurassic Park, waarin verre voetstappen van een indrukwekkende velociraptor de kasten, stoelen en bekers koffie doen trillen, waarop alle vrouwen en kinderen gillend onder de tafels duiken en de mannen naïef blijven staan en denken iets te kunnen beginnen tegen zo'n dino.
Even later kwam meneer Zudini de lift uit, voorgegaan door de bevriende portier, die haast zijn bodyguard leek. Ze hadden allebei hun mooiste pak aangetrokken. Wat zou de reden zijn geweest van hun vertraging van twintig minuten? Ik liet mijn neus werken, maar rook geen cognac.
Ik mocht als tweede naar binnen en was klaar om allerlei moeilijke vragen te beantwoorden over de verspreiding van het Franco-Provençaals , de archaïsche kenmerken van het Sardisch of de positie van het bezittelijk voornaamwoord in de verschillende Italo-Romaanse dialecten. Maar niets van dat alles. In totaal heb ik misschien drie zinnen kunnen uitbrengen, voor de rest praatte het reuzenreptiel. Ik legde me dus maar weer toe op het bestuderen van zijn grote bril met zwart montuur en van het reliëf in zijn gezicht, totdat hij tegen het eind zei: “Ik wil U nu nog één laatste vraag stellen over de uitgangen van de eerste persoon meervoud in de Noord-Italiaanse dialecten.” Ik wilde antwoord geven, eindelijk mijn kennis tentoonspreiden. Maar mijn vraag werd al beantwoord door de professor zelf. Via een verhandeling over het Roemeens kwam hij opeens uit bij Edgar Davids. We spraken nog wat over voetbal en na mij het hoogst mogelijke cijfer (30 met lof) te hebben gegeven, schudde hij me de hand.
Verbaasd liep ik naar buiten. Mijn periode met mijnheer Zudini was ten einde. Ik zal hem missen.